Laatst reed ik vroeg in de avond van Haarlem naar huis. Ik weet niet wat sommige andere weggebruikers mankeerde, maar zo erg had ik het nog niet eerder meegemaakt. Bepaalde auto’s kwamen me zo hard voorbij dat ik knipperde met de ogen. Ik keek nog even of ik dan zo langzaam reed. Dat was niet echt het geval. Twee auto’s haalden me rechts in. Ik zag ze verderop tussen de andere auto’s slalommen. Misschien werden ze achternagezeten?
Ter hoogte van Hilversum haalde ik zelf een rij auto’s in. Harder dan mag. Toch kwam er vlak achter mij een blitse auto rijden die begon te knipperen met de koplampen. Ik dacht dat het misschien wel geheime politie kon zijn. Ik kon nog niet aan de kant, want ik had de rij nog niet ingehaald. Toen dat wel lukte, kwam de auto naast me rijden. Het was geen politie. Eerder het tegenovergestelde. De bijrijder deed zijn raam naar beneden en riep iets wat ik niet kon verstaan. Ik deed mijn raam ook naar beneden. Ik verstond hem nog niet. Daarna ging hij voor me rijden en trapte hij af en toe vol op de rem. Als een soort strafje.
Ik ben gewend dat, als je vroeger straf kreeg, je voornaamste opdracht was om te overdenken wat je verkeerd gedaan had. Soms wist je het echt niet. Dat was nu ook zo. Misschien stond mijn auto hem niet aan? Die van mij was namelijk groter dan die drugsdealersmobiel van hem. Ik haalde mijn schouders op in een poging het voorval er vanaf te laten glijden.
Maar bij Hoevelaken: weer zo’n mafkees. Bij het invoegen op de A28 kwam hij me inhalen op de invoegstrook. Als ik niet aan de kant was gegaan, had hij zijn eigenwijze automobiel, die eruitzag als een uit de kluiten gewassen elektrisch scheerapparaat, zeker beschadigd.
Op de Veluwe werd het rustiger. Daar rijden de mensen ook hard. Maar relaxter. Mooi tussen de bomen door oostwaarts. Toen ik de IJssel over was, was het klaar met de gekkigheid. Friezen, Groningers en Drenten onderweg naar huis. Kalm aan met 130. Na Hoogeveen was het gewoon genieten. Het zomerse landschap, verlicht door het gouden avondlicht. De weg zo goed als leeg. Toen ik eenmaal achter het huis zat, dacht ik weer even aan die druktemakers onderweg. Ze zouden eigenlijk eens een avondje hier bij mij moeten komen zitten. Dan zou ik wijzen en fluisteren: ,,Kijk, daar heb je het eekhoorntje”.
Dagblad van het Noorden, 22 augustus 2026
Abonneer je hier op de nieuwsbrief en de wekelijkse column van Daniël Lohues!