Afgelopen woensdag liep ik in een mooi natuurgebied hier vlak over de grens. Heel in de verte kon je de lente al ruiken. De vogels blijkbaar ook. Ze zongen zo hard en met zovelen tegelijk dat het haast een beetje overdreven leek. Ik zag wat knopjes aan de struiken. Hoewel mijn gemoedstoestand wel eens jubelender geweest was, zag ik er toch hoop in. Het zal niet lang meer duren voor het echt lente wordt, dacht ik. Ik liep verder richting de smalle, hoge brug over de rivier. Het water stroomde zoals het altijd heeft gedaan en zal doen. Als je wilt, kun je hier zo de eeuwigheid induiken. Ik voelde een kilte alsof er een donkere wolk mijn kop binnendreef. Ik ben maar snel verdergelopen en haalde mij een stukje pianoconcert van Mozart voor de geest. Dat wil nog weleens helpen bij plotseling opkomende mist.
Toen ik de brug over was en op het zandpad langs de oever richting het bos liep, zag ik in de verte een man. Hij liep mijn kant op. Of ik de zijne. Even later passeerden wij elkaar. Ik had een glimlach opgezet, zei moi en knikte. Drie passen verder stopte ik. De man had niet teruggegroet. Hij had me niet eens aangekeken. Hij was me gewoon strak voorbijgelopen met de blik recht vooruit. Verbaasd keerde ik me om en zag de man stug doorlopen. Ik had de neiging om nog een keer heel hard moi te roepen. Dat heb ik maar niet gedaan. Ik heb mijn schouders opgehaald en liep verder.
Toch ging ik denken. Er wordt tegenwoordig steeds minder gegroet. Daar ben ik inmiddels wel aan gewend. Maar in deze situatie groet je toch even? Opeens dacht ik dat die vent misschien wel hartstikke depressief kon zijn. Zo depri dat je niet eens meer de puf hebt om iemand goeiedag te zeggen. God weet wat een ellende sommige mensen allemaal mee moeten maken. En hij liep richting de brug over de rivier. Hij zal toch niet… Ik besloot me weer om te draaien en achter hem aan te gaan. Door de kale takken van een oude beukenboom zag ik hem al midden op de brug staan met zijn hoofd gebogen. Opeens kwam er van de andere kant een jonge vrouw de brug op fietsen. Ze gooide haar fiets neer, riep iets, liep naar hem toe en ze omhelsden elkaar. Ze begonnen hartstochtelijk te zoenen.
Dagblad van het Noorden, 28 februari 2026