Daniël Lohues

‘De vier jaargetijden volgens Lohues’

Na de winter en de lente komt de zomer: Daniël Lohues (Emmen, 1971) is toe aan deel drie van zijn vierluik Allennig. Aan de hand van een stapel gloednieuwe liedjes, verhalen en gedichten gunt de Drent de theaterbezoekers een kijkje in zijn gevoelsleven, zichzelf begeleidend op de piano, op gitaar, een banjo of – nieuw in zijn collectie – een autoharp. Net als zijn huidige theaterprogramma heet de vandaag verschenen cd Allennig III.

Je nieuwe cd vertegenwoordigt de zomer. In hoeverre is ’Allennig III’ een zomerplaat?
“Een heleboel nummers zijn in de zomer geschreven. Of met de zomer in het achterhoofd. Een liedje als Onder de boome is een mijmering over hoe het vroeger was. Maar het clichébeeld van de zomer als iets lichtvoetigs heb ik meteen losgelaten. Het is geen zomer van softijs en geschaterlach.”

Deel één telde 13 tracks, deel twee 16. Nu zijn het er al twintig. Vanwaar die enorme productiviteit?
“Ik ben altijd wel productief geweest, maar de meeste liedjes bleven dan liggen. Op zich ben ik ook een voorstander van korte platen. In dit geval hebben alle songs een functie, ze vertellen samen een verhaal. De hele plaat is als een dag in mijn hoofd. Van het openingsnummer, op mijn nieuwe autoharp, tot de afsluitende piano-improvisatie. Naar het einde toe, richting de nacht, wordt de sfeer steeds duisterder.”

’Allennig III’ klinkt misschien nóg wel puurder dan de vorige delen.
“In hun beginstadium, in alle eenvoud, hebben liedjes een bijzondere kracht. Deze bestonden nét toen ik ze opnam in Studio Zeezicht, vlakbij Haarlem. Ik ben daar graag. De technicus, Bart Wagemakers, is van mijn leeftijd en ook een liefhebber van klassieke muziek. Praten we veel over. Al mijn instrumenten staan daar. Als ik in de stemming ben, speel ik. Zo simpel is het. Dat vind ik zo fijn, naast alle technische mogelijkheden die er bestaan.”

Heb je nooit de neiging om een zangpartijtje over te doen? Of een meetrillend snaartje weg te poetsen?
“Natuurlijk kun je achteraf nog aan alle knoppen draaien. Maar daar gaat het niet om. In zijn vorm is dit juist ook perfectie. Zoals een eettafel mooi kan zijn zonder dat ’ie compleet geschuurd en gelakt is.”

De kracht van de beperking?
“Precies. Daar is het me met Allennig allemaal om begonnen. Alle grote songwriters – Carol King, Randy Newman, zelfs Bruce – speelden vroeger in hun eentje. In koffiehuizen en clubs, altijd maar spelen, spelen, spelen. Pas daarná gingen ze met een band aan de gang. Ik wilde ook ontdekken hoe het zou zijn om in m’n eentje te performen.”

De reacties van publiek en pers zijn overweldigend. Bij de uitreiking van de Dagblad van het Noordenprijs zei je laatst dat het bijzonder isom te worden onderscheiden ’voor wie je bent’. Kun je jezelf blijven als iedereen je op de schouder slaat?
“Ik vind dat me dat wel goed afgaat. Ik weet van mezelf dat ik altijd was zoals ik nu ben. Dat kan ik ook checken bij mijn broer, mijn neef, mijn ouders. De muziek, daar gaat het allemaal om. Als een soort monnik moet ik daar de hele dag mee bezig zijn. Niet met tegenzin, begrijp me goed. Als ik muziek maak, voel ik me fijner. Schouderklopjes zijn prettig, maar je moet er mee leren omgaan. Gaat me steeds beter af. Als ik ’s morgens na een optreden beneden kom, is het applaus verdwenen. Dan resteren alleen de bossen bloemen die ik in een -paar grote emmers in de kamer heb staan.”

Voel je je vrij?
“Volledig. Ik zit nergens aan vast. Niet aan een platenmaatschappij, niet aan een management – hoewel ze het uitstekend doen. Ik hoef niets te bevechten. Deze keer staan er twintig liedjes op de plaat, de volgende keer misschien maar negen. Ik noem maar wat. Alles kan.”

Zoals ook het opnemen van een cover. Een bewerking van ’Everybody’s Gotta Learn Sometime’ van The Korgis.
“Ja, dat kwam zo: ik zat op een avond naar Eternal Sunshine of the Spotless Mind te kijken. Daarin zit een scène waarin de hoofdpersoon – Jim Carrey, opvallend genoeg – in de auto naar dit nummer luistert. Een prachtuitvoering van Beck. Halverwege kapt ’ie hem af, maar ik zat net in vervoering te luisteren. Dus speelde ik het direct op de piano, die naast de tv staat. En ik zong Iederiene moet ’t ooit leern.”

Volgend jaar wordt het vierluik voltooid met de herfst.
“Ja, of harfst in het Drents. Dat lijkt dan weer op het Engelse harvest, wat oogst betekent. Ik weet nog niet precies wat na deel vier de oogst zal worden. Ik heb wel weer zin om samen te spelen, hardop met de elektrische gitaar. Maar het theater is me ook heel erg goed bevallen. Daarin wil ik zeker verder.”

Dagblad van het Noorden, Martin Groenewold

Facebook

Spotify

Instagram